Het Goede Gesprek in Beekbergen

In opdracht van Vilans, het kenniscentrum voor de langdurige zorg, organiseerde BKB drie bijeenkomsten van Het Goede Gesprek. Een verslag van de laatste bijeenkomst. Over de dialoog als basis van de zorgrelatie.

In de bossen bij Beekbergen ligt het verzorgingstehuis Markenhof. Er wonen mensen met Korsakov. Voor de ingang staat een kunstwerk van houten pilaren die in de aarde lijken te zijn verzonken. De pilaren hebben een symbolische betekenis. Het zijn verborgen huisjes die ondersteboven in de grond staan en die verhalen van de bewoners van Markenhof herbergen. Ook letterlijk. Hun levensgeschiedenissen zijn gedocumenteerd en voor eeuwig opgeslagen in gaten die speciaal voor dat doel in het harde eikenhout zijn gefreesd.

Markenhof is een goed voorbeeld van een verzorgingstehuis waar, zoals locatiemanager Carla Tijssen het noemt, “de bewoner van rechts komt”. Carla Tijssen is gastvrouw op de derde en laatste bijeenkomst van Het Goede Gesprek, een project dat tot doel heeft de ‘dialoog als basis van zorgrelatie’ terug te brengen. Want ook al is de zorg in de eerste plaats mensenwerk, toch wordt het menselijke aspect nog wel eens over het hoofd gezien. Bijvoorbeeld doordat de werkdruk te hoog is of door een eenzijdige focus op efficiëntie.

Net als tijdens de twee eerdere bijeenkomsten is Abeltje Hoogenkamp de gespreksleider. Ze vraagt Carla Tijssen om een toelichting op de filosofie van Markenhof. Tijssen: ‘Bij ons staat een goed gesprek aan de basis van het welzijn van de bewoners. Je moet tenslotte achterhalen wat bewoners willen. En met medewerkers is dat eigenlijk niet veel anders. In Markenhof proberen we een woonomgeving te creëren die zo thuis mogelijk is. Ook houden we het onderlinge contact zo normaal mogelijk en krijgen bewoners maximale vrijheid. Zij krijgen bevestiging door empathie. En we zijn sturend over wat wel en wat niet kan. Dat is de empathisch-directieve benadering. Dus ja, de klant komt bij ons van rechts.’

Henry Mostert is van Vilans, het kenniscentrum voor de langdurige zorg dat verantwoordelijk is voor Het Goede Gesprek. Mostert geeft een presentatie waarin hij uitlegt hoe het projectbureau van Het Goede Gesprek zorginstellingen kan helpen de kwaliteit van de zorgverlening en de bedrijfsvoering te verbeteren. Daarbij stelt Vilans de dialoog centraal. Mostert: ‘Dialoog is dan geen doel op zich, maar een middel om met de ander tot meer kwaliteit te komen. Vilans heeft gekeken in een aantal zorgorganisaties en in de opleidingsorganisatie ROC. Uit deze eerste fase van Het Goede Gesprek heeft Vilans vier voorwaarden geïdentificeerd voor een goede dialoog in de zorgrelatie. Dat zijn: Visie, Educatie, Ruimte en Sturing (VERS). De komende periode gaan we aan de slag om zorgorganisaties en ROC’s verder te ondersteunen de dialoog te versterken. Een van de hulpmiddelen hierbij is een scan waarmee een zorginstelling heel gemakkelijk kan meten hoe zij op deze punten scoort.’

We gaan hier geen machtstrijd aan
Ans Schuring is verzorgende in Markenhof, Jan de Wacht is bewoner en Hennie ten Tije is Bedrijfsleider Dagactiviteiten. Met z’n drieën schuiven zij aan bij Abeltje Hoogenkamp.

Op Markenhof is een groot deel van de bewoners werkzaam in een van de werkplaatsen. Het is simpel werk waarvoor de bewoners een symbolisch salaris ontvangen. Zo’n arbeidsrelatie is bijzonder, omdat Korsakov-patiënten vaak erg passief zijn en het liefst in hun bed blijven liggen. Ten Tije: ‘Door werk aan te bieden geven we een heel belangrijke prikkel. Zo vullen we een zekere leegte op van de cliënt, maar wel zonder dwang. Werk leidt tot normalisatie. Het is meer dan bezigheidstherapie. We zitten in een apart gebouw, waar we iedere dag in een groep naartoe lopen. Dat is op zich al een avontuur, want de bewoners hebben door hun geheugenverlies geen benul waar ze naartoe gaan. Pas als ze er zijn, herkennen ze de context.’ Bewoner Jan de Wacht zegt in ieder geval dat hij het prima naar zijn zin heeft. Hij werkt in de kassen.

Werk vereist discipline. Het is een serieuze opgave om iedereen op tijd op het werk te hebben. Ans Schuring legt uit hoe dat gaat: ‘Ze zien gewoon de noodzaak niet in om uit bed te komen. Dat vraagt heel wat van je communicatievaardigheden. Ik breek het hele ritueel in kleine stukjes. Eerst de ogen open doen. Dan zien wie er voor je staat. En dan langzaam motiveren om aan de dag te beginnen.’

Schuring benadrukt dat ze haar werk onmogelijk op de automatische piloot kan doen: ‘Je moet er veel van jezelf in stoppen. Ik heb plezier in mijn werk. Maar soms lukt het me gewoon niet en dan vraag ik het een collega. We gaan hier geen machtstrijd aan, want dan trek je altijd aan het kortste eind.’ Ondanks al haar ervaring heeft Schuring zo nu en dan behoefte aan extra begeleiding, in het bijzonder bij nieuwe cliënten met een complexere zorgvraag. ‘Soms heb ik het idee dat we maar wat aanmodderen.’ Extra scholing is volgens haar dan meer dan welkom.

“En niet te lang met ze blijven praten, he!"
De laatste gespreksronde gaat over de rol van de opleiding. Anja Tijmense is teamleider op Markenhof en Harm Jansen is docent en trainer op gebied van communicatie en interactie bij ROC Aventus in Apeldoorn. Ze beginnen met een kort filmpje in “St. Hubertushof” van Jiskefet. De stagiaire krijgt er weer eens goed van langs van de stijve hoofdzuster. De boterhammen moeten dunner belegd, de pilletjes worden weggemoffeld in de smeerworst. “En niet te lang met ze blijven praten, he!” waarschuwt de hoofdzuster als ze de stagiaire voor de spreekwoordelijke wolven gooit.

‘Gelukkig is er veel veranderd,’ merkt Harm Jansen onmiddellijk op. ‘De zorg is tegenwoordig klantgericht en communicatie vormt een doorlopend onderdeel van de opleiding.’ Anja Tijmense bevestigt dat; toen zij op haar zeventiende in de zorg begon, werd ze op een zelfde manier in het diepe gegooid. Zij heeft z ook nog de pillen tussen de boterhammenworst gelegd. ‘Maar zo doen we het al lang niet meer, hoor!’

Voor een verplegende-in-opleiding is de stagebegeleider misschien wel het belangrijkste rolmodel. Misschien leer je in de praktijk van de stageplek wel meer van het vak dan op school. Jansen relativeert dat: ‘De opleidingen zijn uit hun ivoren toren gekomen, het lesmateriaal wordt nadrukkelijk aangepast op de praktijk. En zorginstellingen en opleidingsinstituten werken nauw samen.’

Tijmense gaat trouwens binnenkort ook weer de schoolbanken in. Om de empathisch-directieve filosofie van Markenhof goed in praktijk te brengen, gaat al het personeel van het verzorgingstehuis op training.

Tijmense moet denken aan de meneer die echt niet uit zijn bed wil komen, wat zij en haar collega’s ook proberen. ‘Uiteindelijk hebben we afgesproken dat hij tot half twee mag blijven liggen. Dat blijkt de beste oplossing te zijn. Het heeft echt geen zin om hem onze wil op te leggen. De bewoner is tevreden zo. Maar bij een andere vrouw die ook moeite heeft met opstaan, blijkt dat we het uiteindelijk iedere keer weer zo leuk weten te maken dat ze toch de dag aandurft.’ Het zijn goede voorbeelden van een werkwijze waar de cliënt centraal staat, en waar een rigide zorgaanbod niet per se bijdraagt aan het welzijn van de bewoner.

Of zoals de locatiemanager Carla Tijssen zegt: ‘Een leuke dag is belangrijker dan schone billen.’